Mijn jeugd op de wieke
Mijn jeugd op de wieke.
Ik ben geboren op 1 Juli 1935 aan de Reinder van Oostenswijk als tweede zoon van Berend Kikkert en Metje Snippe het huis is al jaren geleden afgebroken en ik kan me van die eerste 3 jaar dan ook heel weinig herinneren het eenigste dat ik weet is dat mijn vader in 1938/39 aan de jeulenwijk een half bunder grond kocht met daarop een boete (noodwoning)Tijdens de oorlog heeft mijn vader voor de boete een stenen voorhuis laten zetten en enige jaren later net na de oorlog in 1946 is de boete er achter weggebroken en is er ook een stenen achterhuis aangebouwd met een geitenhok en twee varkenshokken. Ik heb mijn hele jeugd doorgebracht aan de jeulenwijk en dat was best spannend want in Mei 1940 brak de oorlog uit en op zich hoorden we daar niet zoveel van want tv hadden we toen nog niet zelfs nog geen radio maar we zagen wel regelmatig duitse soldaten die de wijken afstroopten en allerlei dingen in beslag namen zoals vee om te slachten en eieren ze haalden gewoon de legnesten in het kippenhok leeg en je kon er niks tegen doen en ook fietsen want die waren ze nodig langs al die smalle paadjes en natuurlijk radio's want het was streng verboden om naar de radio te luisteren. Radio Vrij Oranje had elke dag een uitzending van een kwartier vanuit Londen waar ook regelmatig Koningin Wilhelmina het Nederlandse volk toesprak en de Duitsers probeerden wel met een stoorzender dat het moeilijk te beluisteren was maar er waren altijd wel weer handige mensen die hier wat op vonden.
.In 1942 moest ik naar school dat was naar de ol school aan het zuideropgaande die school is eind jaren "60 afgebroken, we gingen lopen naar school want bij ons thuis was maar één fiets en die was vader nodig voor zijn werk, maar als we flink doorstapten dan deden we er ongeveer 3 kwatier over en natuurlijk 's avonds weer 3 kwartier terug. Het gebeurde soms dat ik alleen terug kwam uit school en dan zag ik half op de wijk al een stel Duitse soldaten aankomen met een bok (vaartuig) vol in beslag genomen fietsen dan ging ik in een grote boog door het weiland er omheen want we waren echt wel een beetje bang voor die Duitse soldaten als ze ons mee zouden nemen maar wij als kinderen hadden daar natuurlijk geen last van.


In 1944 werd onze school gevorderd door de Duitsers ze gebruikten de school als een soort kazerne met allemaal prikkeldraad er omheen, wij kregen toen les in café Fieten maar aangezien de beperkte ruimte gingen we om de dag naar school. Het enige voordeel dat we van de Duitsers gehad hebben was electrisch licht, ik denk dat het in 1943 was dat de Duitsers de wijken van stroom gingen voorzien, langs de middensloot werden hoge dennenpalen geplaatst die dan twee wijken van stroom voorzagen er zaten maar twee draden aan en de meterkast zat aan het Zuideropgaande in ons geval was dat bij Arend Pekel en wij hadden dan ook maar twee lichtpunten één in de woonkamer en één in het achterhuis, nou dat was een weelde en geen gesmeer met petrolium en als je naar bed ging draaide je gewoon het lampje los, maar om 10 uur draaide Arend Pekel de stop om en dan was het op de beide wijken donker. Na de oorlog is alles weer afgebroken en werd de petroleumlamp weer van zolder gehaald.
  
Ik ben dat schooljaar dan ook blijven zitten met de mededeling in mijn rapport "blijft zitten door teveel verzuim" In het laatste oorlogsjaar vlogen er soms honderden Engelse bommenwerpers over en die werden dan aangevallen door Duitse jagers, de boete waarin wij woonden stond dan helemaal te trillen je hoorde dan een knetterend geluid dat kwam van de mitrailleur van een duitse Messerschmitt die een bommenwerper probeerde neer te schieten dan zag je zomaar opeens een vliegtuig brandend omlaag komen het dichtstbijzijnde vliegtuig dat ik heb zien neerkomen was aan de kikkertsveldweg het was op een Zondagmorgen wij zijn er zo snel als we konden naartoe gerend maar we werden door Duitse soldate op een afstand gehouden omdat het fel brande en er in en om het wrak nog dode en gewonde bemanningsleden lagen en het gevaar voor een ontploffing was ook groot want soms zaten er nog bommen in het vliegtuig.
Ook gebeurde het dat vliegtuigen in nood overtollige ballast zoals benzinetanks die onder de vleugels hingen los lieten en die kwamen dan zig-zag naar beneden al naar gelang hoeveel benzine er nog in zat en wie er het eerste bij was had hem want je kon hier een prachtige kano van maken,soms waren ze nog half vol kerosine wat de boeren weer voor brandstof gebruikten.
   
Vaak werden er door de Duitsers razia"s gehouden aangezien er nogal veel jonge kerels wijgerden naar Duitsland te gaan om te werken in de Duitse oorlogsindustrie, bij zo"n razia kwamen duitse soldaten gelijktijdig van voor en van achter de wijk op en dan was het snel het huis uit om een veilig heenkomen te zoeken meesal sprongen ze in de wijk en dan snel naar de andere wijk rennen ook werd er een schuilkelder gebouwd om de nacht in door te brengen de restanten van zo"n schuilkelder zijn nog te vinden in de bossen bij Elim en omdat door dat gebied de wijken kris kras doorheen liepen was dit een vrij veilig gebied.
In Mei 1945 was de oorlog afgelopen en iedereen kon weer opgelucht ademhalen en vrijuit spreken want in die tijd moest je best opletten wat je zei want in dit gebied woonden nogal veel NSB ers en die waren nog gevaarlijker dan de duitsers zo kan ik mij nog herinneren dat bij ons in de buurt een vader met zijn twee zonen woonde die regelmatig met het geweer aan de schouder rondliepen en naar later bleek ook wel durfden te schieten, zo is bv Jan van der Helm van het zuideropgaande door een NSB er doodgeschoten omdat hij niet snel genoeg zijn paardentuig afgaf, maar toen de bevrijding er was werden deze landverraders snel opgepakt en berecht, en het leven begon zijn gewone gang weer te gaan. De oorlog had bij ons geen zichtbare sporen achtergelaten wij gingen weer naar school en vader vond weer werk bij een boer in De Krim en na schooltijd en "s avonds dan was er thuis genoeg te doen zo kweekten we voor eigen gebruik aardappelen en groenten want van een groenteboer een slager of een bakker hadden wij nog nooit gehoord ook een melkboer kenden we niet wij hadden een melkgeit die werd ook wel schertsent de arbeiderskoe genoemd maar een goeie melkgeit gaf al gauw 4 á 5 liter melk per dag. Maar een geit moet ook jongen krijgen dus als de geit boks was moest één van ons met de geit naar de bok, wij gingen meestal naar Lambert Zwiers aan het fietsepad voorop de Brouwerswijk wij vonden dat nooit zo'n leuk karwei want de lucht bij en in het hok van de bok was niet te harden maar ook als je in de buurt van die bok kwam kreeg je soms een harde stoot. Maar als alles goed ging was de geit drachtig en moest over 5 maand jongen krijgen, maar het gebeurde ook dat vader zei! jonges de geite hef teruggebokt ie mut er nog eem weer mit naar de bok, dat vond de bok wel mooi maar wij waren daar niet zo blij mee maar als de bok zijn werk goed deed dan was de geit drachtig en kreeg dus over 5 maand jongen, meestal 2 of soms ook wel eens 3. Het gebeurde ook wel eens dat we onder schooltijd met de geit naar de bok moesten want vader kon daar geen vrije dag voor nemen, maar als je dan de andere dag op school kwam vroeg de meester streng, en waar was je gisteren! Ik antwoorde dan verlegen? ik moest met de geit naar de bok meester, waarop de meester streng zei: kon je vader dat dan niet doen en ik antwoorde dan met mijn domme verstand! nee meester dat moest de bok doen wist ik veel?   De jonge geiten werden weer aangehouden en als er bokjes bij waren dan gingen die in de pot dat wil dus zeggen dat ze met melk eerst vet gemest werden en dan ging mijn vader ze slachten het was heerlijk mals vlees en het vel brachten we naar Oom Aaldert Kikkert op de Braamberg waar wij dan weer een paar dubbeltjes voor kregen. Aangezien we eingelijk te weinig weiland hadden had mijn vader hier iets op gevonden, tussen het land van Arend Pekel en Eibert Lip was een brede sloot die "s zomers helemaal droog was maar langs de schuine kanten groeide heerlijk mals gras dus liepen we te wandelen met de geit door de droge sloot die hier zijn maaltje weer vond.

   
Ook waren we onze eigen slager zo werden er in het voorjaar 2 biggen gekocht die werden dan grootgebracht met gekookte aardappelen en alles wat er in huis overbleef maar ook onkruid wat bv tussen de aardappels stond waren ze gek op dus eigenlijk waren dat twee vliegen in één klap aardappels wieden en varkensvoer plukken. November is de slachtmaand dus in November werd de dikste eerst geslacht dan werd Klaas de Slachter (snippe) besproken die kwam dan al vroeg de wijk affietsen met de bak op de nek en moeder had dan een grote tijl met kokend water klaarstaan, met een soort slagpen schoten ze het varken dood lieten het bloed er uitlopen wat weer nodig was voor de bloedworst dan rolden ze het varken in de grote bak en met behulp van het hete water werd het haar er afgeschrapt. Nou ja het meeste haar dan.
Als dat gebeurd was werd het varken op een ladder gelegd en werd het varken met de achterpoten vastgemaakt aan de kromstok en dan werd de ladder met varken met vereende krachten rechtop tegen de muur gezet als laatste werd het varken dan open gesneden om de ingewanden te verwijderen en te laten afsterven, maar wij als kinderen moesten dan om en om de wacht houden bij het varken want de honden en katten uit de buurt hadden er ook al lucht van gekregen, later op de avond kwamen de slachters nog even terug om het varken in porties te verdelen (afhouwen) dan was het verdere werk voor ons zoals het worst maken en het ophangen van het spek aan de zolder (wiemel) de wiemel was in de woonkeuken boven de deur, tussen de balken werden er een aantal zijbalkjes aangebracht en hier werd met haken de zijden spek aan gehangen maar ook de metworst en meerdere stukken vlees werden zo gedroogd, op de vloer lagen een aantal kranten om het vet op te vangen wat er de eerste dagen vanaf drupte. Het tweede varken werd dan meestal in Februari geslacht. Als het vlees gesneden werd om er worst van te maken zaten wij daar natuurlijk met onze neus bovenop, dan prikten we een stukje vlees aan een vork deden het voorste klepje van de kachel open en hielden al draaiende het vlees boven het vuur tot het gaar was, dat deden we dan in de achterste kachel want zodra de herfst inviel werd er om het binnen een beetje op temperatuur te houden een kachel bij geplaatst  de afvoer ging met een pijp naar boven langs de zolder naar de schoorsteen waar de fornuiskachel onder stond voor ons waren dat heerlijke momenten, tegenwoordig doen ze dat ook nog wel maar dat heet nu met een moderne naam barbecuen.

    
Via de jeulenwijk werd ook onze brandstof voor de winter aangevoerd, mijn vader kocht achter op de bakkerswijk bijna aan het Zwinderse kanaal een bonkje veen dat werd zo uitgemeten dat je er voldoende turf kon graven om de winter weer door te komen en wij moesten dan weer helpen bij het opstoeken en later in ringen zetten en als dan tegen het einde van de zomer de turf droog was werd er een 8 tons bok gehuurd die we op vrijdagavond naar het turfveld brachten, we namen een paar fietsen mee in de bok om terug naar huis te gaan. Op Zaterdagmorgen was het vroeg opstaan want als de zon opkwam moest je in het veld zijn want zo tegen de middag moest de turf geladen zijn om tegen de avond weer thuis te zijn. Ook hebben we leren zwemmen in de jeulenwijk, dat deden we bij Harm Schraa want daar was een gedeelte van de wijk minder diep en daar was ook een zandbodem dus je zakte er niet zo ver in de modder en daardoor bleef je ook schoner. En schaatsen dat hebben we ook op de wijk geleerd, zodra het ijs sterk genoeg was knoopte mijn vader ons de schaatsen onder in huis dan droeg hij ons naar het ijs ook werd er een stoel op het ijs gezet en je probeerde vooruit te komen wat gepaard ging met veel vallen en opstaan en als je dan tot op het bot verkleumd was deed je de schaatsen onder weg en warmde je weer wat op bij de kachel. Ook zat er veel vis in de wijk, van kuikengaas maakten we een fuik we deden er een lange draad aan en gooiden hem dan midden in de wijk we zetten de fuik vast met een draad om hem makelijk weer binnen te kunnen halen dat was weer nodig want als de melkbok of de snikke voorbij kwamen dan vaarden ze de fuik kapot dus we lieten de fuik alleen "s nachts in het water liggen en als je hem dan "s morgens ophaalde zat er meestal een lekker maaltje vis in de fuik. De hengel lag ook altijd klaar voor gebruik dat was geen hengel zoals ze die tegenwoordig kennen nee we sneden een mooie hengelstok uit het bos tegenover ons huis die schilden we af en lieten hem drogen van mooi dun draad maakten we een snoer een plakje van een kurk met daar doorheen een pen van een kippenveer een haakje er aan en je kon vissen. we gingen dan ook alle dagen wel vissen meestal liepen we langs de kant om stekelbaarsjes te vangen die namen we dan weer mee naar huis waar we ze schoonmaakten en later werden ze gebakken, moeder was dan ook altijd weer blij als je met een maaltje vis in huis kwam. ook zat er in de wijken veel paling daarvoor hadden we een ander middel om die te vangen we maakten drijvers van stukjes plank hieraan knoopten we een dunne draad met een haakje er aan hier deden we meestal een dikke pier aan we maakten de draad net lang genoeg dat de pier de bodem raakte en dan maakten we er soms wel tien en die lieten we dan in het water drijven en 's morgens haalden we ze weer uit het water en meestal hadden we dan wel één of twee mooie palingen.
In de wijk zat ook vrij veel snoek dus gingen we ook regelmatig slepen dat deden we met een lang snoer en daaraan een lepeltje met een driehaak door te slepen ging het lepeltje dan heel snel ronddraaien waar we menig snoek mee gevangen hebben.Ik kan mij nog herinneren dat op 4 Juni 1949 stormde en regende dus ideaal weer om een tijdje te gaan snoeken nou ik ving dan ook die middag een kanjer van een snoek ik weet dit nog zo goed omdat die dag mijn zuster Femmie geboren is en de snoek had ik aan een balk in het achterhuis hangen en de zuster die mijn moeder verzorgde was bang voor de snoek en durfde er niet langs. Maar ook bramen plukken was een mooie bezigheid en dan vooral op die plaatsen waar je moeilijk bij kon komen zoals de noordkant van de jeulenwijk waar geen looppad was en de diksten hingen boven het water, hiervoor gebruikten we een oude trap want daar kon je prachtig op varen.

    
Ongeveer 200 meter bij ons vandaan woonde mijn Opa Stoffer Snippe ook in een boete vlak naast opa woonde oom Gerrit en daar weer tegenover aan de andere kant van de wijk woonde oome Willem en ja hoor het is echt waar allemaal in een boete, tussen oome Gerrit en opa stond een heel klein huisje daarin woonde kleine Greetie dat was een heel klein vrouwtje die door een ernstige ziekte helemaal misvormd was ze was dan ook niet groter dan één meter ze had een paadje tussendoor naar opa waar ze dan ook bijna de hele dag zat bij de fornuiskachel stond een klein stoeltje daar zat greetie altijd op en wij moesten het niet wagen om op haar stoel te gaan zitten wat we natuurlijk wel stiekem deden als we haar hoorden aankomen. En als we goed oppasten kregen we een pepermuntje van kleine Greetje ze had van die diepe zakken in haar schort en haar handen waren niet al te schoon dus je begrijpt wel als wij het pepermuntje kregen was het wel een beetje smoezelig. maar ach als kinderen vond je dat toch niet zo erg het smaakte tenminste wel.
   
We leefden dus in een tijd zonder leidingwater en electra en van gas hadden nog nooit gehoord nee voor de verwarming stookten we turf en op die kachel kon je dan gelijk je eten koken, en het water dat haalden we gewoon uit de wijk in de wal hadden we een waterbank om makkelijk bij het water te komen het gebeurde wel dat moeder nog snel een paar emmers water moest putten want dan had ze de snikke of de pullebok aan zien komen want dan was het water de eerst uren niet te gebruiken. En 's winters gaf dat ook een probleem als het streng ging vriezen dan moest je 's morgens eerst de bijt loshakken om vers water te kunnen putten meestal haalden we 's avonds wel een emmer vol binnen want je moest 's morgens toch koffie of thee zetten en je moest je natuurlijk ook wassen alhoewel we dat ook nog wel eens wilden overslaan. Maar na een strenge winter kwam er ook weer vertier want dan werd het ijs gebroken de pullenbok moest immers weer varen maar die brede stroken ijs langs de kant kon je nog best over lopen, maar als ook deze losraakten van de kant kon je geweldig over de ijsschotsen lopen en springen van de ene schots op de andere dan deed je wie het verst kon komen maar ja je snapt wel dat het niet altijd goed afliep want éénmaal nam je te veel risico en je stond wel tot je nek in het koude water, en dan maar met hangende oren naar huis en daar wachte meestal ook nog een verrassing, uitkleden naar bed en je kleren op een paar stoelen om te drogen bij de kachel.
   
Op een gegeven moment kocht mijn Vader een regenbak die haalden we per bok uit hoogeveen zo"n regenbak bestond uit 3 ringen van 1.50 m doorsnee en een meter hoog in de onderste ring zat een bodem daarop kwam de tweede ring en de laatste ring die er op kwam had vanboven een vierkant gat van 1x1 meter daarop kwam een betonnen huisje van één meter hoog met hierop een deksel.Van hout werden er goten gemaakt om het water op te vangen nog een pijp eraan en het wachten was op de regen. Maar in een droge zomer wilde het nog wel eens gebeuren dat de bak droog kwam te staan, maar in geval van nood was er altijd nog de pullenvaarder die een paar melkbussen vol water uit Hoogeveen mee terug nam. Voor de verlichting gebruikten we een petroliumlamp die aan een dikke spijker in het midden van de kamer aan de zolder hing en in het achter huis hing meestal een stormlantaarn welke je ook buiten kon gebruiken. En je moest natuurlijk zorgen dat er voldoende petrolium in huis was die haalden we dan weer in een vierkante bus uit Elim bij Jans Tangenberg.
 
  
 
In 1949 kocht mijn Vader op een publieke verkoop in Hoogeveen een huis aan het Zuideropgaande en na dat het huisje op de jeulenwijk was verkocht aan Jakob Kikkert en het huis aan het Zuideropgaande grondig was verbouwd zijn we in het najaar van 1950 verhuist naar het Zuideropgaande 84 en hier ging een wereld voor ons open, van een modderige wijk naar een verhard fietspad, elektrisch licht helder water uit de kraan wat een weelde. En je fietste fluitend naar je werk want de hoefde niet eerst een half uur langs een modderige wijk.
  
Maar hier begonnen weer nieuwe avonturen want naast ons huis stond een oude korenmolen die ook van mijn vader was. In de loop der jaren was de molen door storm en verwaarlozing flink toegetakeld en dit was weer een ideale plek voor torenkraaien die daar dan ook in grote getale nestelden en natuurlijk jongen grootbrachten, maar als ze dan tegen het uitvliegen aanzaten kwamen wij in aktie en stiekem klommen we dan in de molen naar boven en haalden een aantal jonge kraaien uit het nest, we hadden tussentijd natuurlijk een paar hokjes in elkaar geknutseld en daar kwamen de jonge kraaien dan in. Maar de jonge kraaien moesten ook wat te eten hebben en brood wat nat gemaakt in water vonden de kraaien best lekker dus moest er wel regelmatig een snee brood weggemoffeld worden om later de kraaien te voeren.